6 maart 2010

Jonge kunstenaar opent eigen plek

Bob_smit Voor veel galeriehouders zijn de doordeweekse openingstijden saai en stil, maar niet voor de kunstenaar annex galeriehouder Bob Smit. Zelfs op een gewone woensdag krijgt Smit, die graag elke bezoeker gedag zegt, geen tijd om te gaan zitten. Dat vele bezoek komt door de a-locatie, denkt hij zelf, want bekendheid heeft hij nog niet. Zijn galerie opende vorige maand aan het Rotterdamse Eendrachtsplein, tussen Cokkie Snoei en Galerie Delta, op de route richting Museumpark. En die toeloop zal groeien, voorspelt Smit enthousiast. Om de hoek opende Wim van Krimpen zojuist een galerie en een straat verder komt ook een nieuwe kunstruimte. Recessie, dat is iets voor doemdenkers.

Daarbij hint Smits eerste tentoonstelling naar geld en luxe: twee van de drie exposanten verwijzen naar de glamourschedel van Damien Hirst. Achter de glazen pui hangt een geometrische collage van de Brit Thomas l‘Anson, die uit vierkante pixels een bleke schedel laat opdoemen. De pixels zijn vakjes stug textiel van airbags dat l’Anson aaneen naait. Dat levert hem blauwe en bebloede vingers op maar ook een abstract drieluik van kerkelijke afmetingen. Beneden exposeert Smit eigen werk, museale ansichten die hij beplakt met hedendaagse interpretaties. Op een geschilderde schedel van Van Gogh plakte hij glasscherven als ode aan Hirsts denken over kunst en economie. Dalí’s Venus bedekte hij met een pornoplaatje – seksisme als hedendaags surrealisme.

Met zijn galerie wil Smit inderdaad iets zeggen over kunst en de wereld. Maar al met al is de eerste expositie niet verrassend eigentijds. Eerder lijkt het een remix van twintigste-eeuwse kunstprincipes. De meeste tekeningen en schilderijen zijn een ingetogen, abstract geometrisch, onderzoek naar verf en materiaal. Zo tekent de derde exposant, Michel Wieggers, rasters waar stippen uit opdoemen.

Of die abstractie een lijn in zijn programma wordt, weet Smit nog niet. Hij heeft net die ochtend voor anderhalf jaar een huurcontract getekend, grijnst hij terwijl zijn hand op een grote keramische penis leunt. Die heeft hij in bruikleen om te zien hoe het werk past in zijn galerie – de toekomst is nog een groot vat van mogelijkheden. Smit heeft zo’n vijf bijbaantjes om de galerie te ondersteunen en volgt ook nog een kunstenaarsopleiding. Op de vraag of dat allemaal wel te doen is, gaan zijn vrolijke ogen alleen nog maar meer glinsteren. Als iedereen de wereld met zoveel ondernemingslust tegemoet zou durven treden, is die recessie ongetwijfeld zo over.

Vandaag in NRC Handelsblad

Thomas l‘Anson en Michel Wieggers, t/m 21 maart. Bob Smit Gallery, Eendrachtsplein 16, Rotterdam. www.bobsmit.com (foto Bob Smit Gallery: Thomas l'Anson 'Blue, White, Red')

27 februari 2010

Groeimonument is saai maar multifunctioneel

Groeimonument

Monumentencommissies hebben het drukker dan ooit. Vorige eeuw voorspelde Andy Warhol nog dat iedereen vijftien minuten beroemd zou worden via de media, maar dat is niet meer genoeg. Het monument, ooit exclusief bedoeld voor geüniformeerde zeehelden en heroïsche veldslagen, is gedemocratiseerd. Gewone mensen moeten ook een monument kunnen krijgen, zoals lokale zangers, verkeersslachtoffers, welzijnswerkers, minderheidsgroeperingen. Televisie volstaat niet langer. Velen eisen zichtbaarheid in de buitenruimte op met spandoeken, bermmonumentjes, plakkaten, verkiezingsposters. Maar nog idealer is een echt monument, waar nu eenmaal een air van traditie en eeuwigheidswaarde aan kleeft.


Die druk is af te zien aan het nieuwste stadsmonument in Tilburg: het Groeimonument. Dat heeft als taak wel heel veel te memoreren. Gewoon een bevallig uit steen gehouwen stadsmaagd of patroonheilige neerzetten, die tijden zijn voorbij. Het Groeimonument werd in december onthuld ter ere van de plaatselijke textielindustrie en ter ere van tweehonderd jaar stadsrechten. Daarnaast drukt het de huidige politieke ambities voor toekomstige stadsontwikkeling – groei – uit. Tot slot heeft het een gebruiksfunctie: het kan dienst doen als catwalk voor het Textielmuseum, waar het in de achtertuin staat.


Het monument is zo multifunctioneel, je kunt er nog net geen appeltaart mee bakken. Het is ontworpen door Next Architects en bestaat uit tientallen verticale palen die het silhouet vormen van een huis met puntdak. Dat sluit aan bij de omringende architectuur, ook altijd een vereiste. De verticaliteit van de palen staat voor groei. Ze staan in een bloembed, waar straks planten uit opbloeien om de palen te omkleden. Tussen de palen ligt als vlonder de catwalk.


Van oudsher zijn monumenten het werkterrein van beeldend kunstenaars, ook in Tilburg. Drie jaar geleden ontwierp Doreen Southwood een metalen monument voor de stedenband met Zuid-Afrika. Een blank meisje dreigt een lel te krijgen van een autobandenschommel – een geslaagd gedenkteken en een schitterende sculptuur. Prachtig is ook het roetspookje van Rob Birza, dat sinds vier jaar de schoorsteen van een textielfabriek sprookjesachtig verlicht en daarmee naar de textielgeschiedenis verwijst. En zo is Tilburg de laatste jaren verrijkt met wel meer bijzondere buitenkunst.


Toch is het goed dat de stad voor deze veel lastiger opdracht geen beeldend kunstenaar koos. Die was hier niet uitgekomen. Kunstenaars zetten graag een eigen idee met verbeeldingskracht neer, vormgevers en architecten werken meer oplossingsgericht. Next Architects heeft adequaat aan alle eisen voldaan. Dat het resultaat er zo saai en niksig uitziet, kun je ze niet kwalijk nemen. Meer is van zo'n opdracht niet te maken.


Het Groeimonument laat zien hoeveel eisen tegenwoordig aan openbare kunst worden gesteld. Toch heeft buitenkunst het vooral aan zichzelf te wijten dat iedereen – politiek, groeperingen, individuen - nu het recht denkt te hebben kunst te kunnen opeisen voor een eigen boodschap. Juist het Groeimonument laat zien wat samen met de stadsmaagd verdwenen is: traditionele symbolen zijn ingewisseld voor willekeurige, zelf te verzinnen metaforen. Een catwalk mag een textielverleden verbeelden, plantjes verandering, palen vooruitgang. Het kan allemaal. Sinds kunstenaars vaste kunsthistorische regels en symboliek overboord hebben gegooid, mag kunst alles uitdrukken zoals de maker beslist. Dus waarom zou openbare kunst dan alleen het idee van de kunstenaar moeten uitdrukken, en niet die van de belastingbetaler, de burger, de politiek?


Eigen schuld dus maar ook de politiek, vooral het populisme, dwingt kunst op de knieën. Het bekijkt beeldende kunst met argusogen en ziet tegelijk de meerwaarde van zichtbaarheid in de openbare ruimte. Leefbaar Rotterdam wilde een monument voor de verjaagde Rotterdammer, oftewel de autochtoon die zich bedreigd voelt door immigranten in de stad. Ook kon een abstracte sculptuur die er in het centrum stond, best worden afgezaagd om dienst te doen als sokkel voor een beeld van Pim. Het lijkt veelzeggend dat in Tilburg de voormalige chauffeur van Pim Fortuyn vijf gemeenteraadszetels heeft.


Dus ja, het groeimonument is een symbool van deze tijd. Maar niet op de glorieuze manier die Tilburg bedoeld heeft. Het laat zien dat de kunst in de openbare ruimte misschien wel zware tijden tegemoet kan zien.


Vandaag in NRC Handelsblad


Next Architects ‘Groeimonument’, Goirkestraat 96, Tilburg. www.tilburg.nl/kort

19 februari 2010

De diepvries als avant-garde

Belgica_3 Het schip de Belgica had er heel wat ijzige expedities richting Noordpool op zitten, toen in 1897 een historisch moment aanbrak: een reis richting het verre zuiden. Al eeuwen gingen verhalen de ronde dat daar, ver van de bewoonde wereld, een rijk van ijs zou liggen. Nu alle subtropische stranden met kokosnoten al door andere landen waren ontdekt, besloot België als eerste het mythische Antarctica te ontdekken. Maar had de bemanning geweten hoe onherbergzaam deze wereld zou zijn, dan was ze waarschijnlijk niet gegaan.

Het onheil begon na aankomst. Een zware storm stak op en blies zulke grote golven het dek op, dat de driemaster in een ijspaleis veranderde. Een bemanningslid verdronk. En dat was nog maar het begin. De ambitieuze kapitein besloot, ondanks protesten van de meevarende wetenschappers, dieper het onbekende continent in te trekken. Zo kwam het schip muurvast te zitten, zonder enige hoop op redding. En toen werd het winter.

Moederziel alleen moest de bemanning van de Belgica zichzelf zien te redden. Tijdens de overwintering kreeg het niet alleen scheurbuik. Het poollicht en de donkerte veroorzaakten depressies, die volgens de overlevering uitmondden in schizofrenie. Na de eerstvolgende dode dwong de inmiddels wanhopige kapitein zijn mannen rauw pinguïnvlees te eten, om meer verzwakking te voorkomen. Pogingen om het schip met springstof los te breken, mislukten. Tot zich in 1899 tijdens wat zonnestraaltjes een vaargeul opende, en de mannen konden terugvaren naar Antwerpen. Ze zouden voor altijd mentaal gebroken zijn.

Van deze gruwelijke geschiedenis is niets te zien op de historische foto’s van de Belgica in de Verbeke Foundation, de onmetelijke tentoonstellingsruimte vlakbij Gent. In deze onverwarmde loodsen opende in de ijskoude januarimaand de tentoonstelling Polar Expeditions. Een minipresentatie over de Belgica wordt er omgeven door installaties en video's van zo'n dertig kunstenaars en een enkele verdwaalde wetenschapper. Allemaal zijn ze op de Noordpool, Zuidpool of in Groenland geweest, en niet zelden vaker dan eens.

Nathalie_talec_1_3 Uit de tientallen kunstwerken – video's, installaties, tekeningen – doemen huiveringwekkende kristallandschappen op. Deinende ijsbergen, blauwige vlaktes en nietig primitieve onderkomens zijn te zien. Slechts één exposant geeft blijk van de wanhoop die je tijdens deze ontberingen onvermijdelijk moet overvallen: Nathalie Talec exposeert een reeks abstracte composities van de noodvlaggen waarmee poolreizigers zwaaien in geval van nood. Toch zou ook Talec meer dan eens terugkeren naar die blijkbaar onweerstaanbare poolstreken.

Binnen de betoverende ijswerelden die de kunstenaars oproepen, is de presentatie over de Belgica het meest heroïsch. Er staat een schaalmodel van het houten schip dat er, door hedendaagse ogen bezien, meer elegant dan doeltreffend uitziet. Daarnaast hangt een foto van de kapitein: een trotse, geüniformeerde militair met een weelderig gecoiffeerde krulsnor. Maar het mooist is een zilverige foto van het schip bij maanlicht. Dit nachtelijk poollicht is van zo'n onaards glanzende schoonheid, met een bijna niet te fotograferen schittering, dat je een beetje begint te begrijpen wat kunstenaars bezielt om hun levens te wagen door deze mensvijandige natuur in te trekken.

En dat is een geluk voor ons luie thuisblijvers, want zij verbeelden een schoonheid die ons anders onthouden zou blijven.  Didier Volckaert besloot de beruchte route van de Belgica zelf te volgen en een film over de geschiedenis van de Zuidpool te maken. In ruim een eeuw is Antarctica getemd tot exclusief vakantieoord voor rijke toeristen die wel eens iets anders willen. Hun cruiseschepen brengen net zo veel schade aan als destijds de Belgica die en passant ook maar even de zeehondenpopulatie decimeerde. Van echt toerisme kun je niet spreken, concludeert Volckaert, want er is geen eigen populatie, geen paspoortcontrole, geen enkel toezicht.

De polen zijn een tijdloze fascinatie. Twee eeuwen geleden schilderde Casper David Friedrich een zee van ijsschotsen die een zeilschip verplettert (dat trouwens opvallend veel lijkt op de latere driemaster de Belgica). Friedrichs ijsschotsen zijn geel, blauw en bruin, in pieken en staketsels. Het was de tijd van de Romantiek, waarin harmonieuze schoonheid werd vervangen door de veel spannender Sublime: een esthetiek van natuurgeweld en drama, die de mens deed sidderen.

Friedrich is natuurlijk niet te zien bij Verbeke maar de hedendaagse kunst blijkt opmerkelijk Friedrichiaans: overal nemen glasharde vormen door het poollicht de meest onwaarschijnlijke tinten aan. Deze letterlijk schitterende schoonheid lijkt het antwoord te zijn op de waaromvraag die je als bezoeker achtervolgt en waar de wetenschappelijk klinkende tekstbordjes (over ecologie, cartografie, geomagnetisme) geen bevredigend antwoord op geven. Een poolreis doe je niet een midweekje, veel kunstenaars zitten er maandenlang, soms inclusief overwintering. Geomagnetisme is vast heel boeiend, maar er moet toch meer zijn wil je er als beeldend kunstenaar zo veel zelfkastijding voor over hebben.

Die dieper liggende motivatie lijkt hem te zitten in de menselijke ambitie om grenzen te verkennen en anderen te overtroeven. Continenten ontdekken is welbeschouwd nogal machistisch. Lees iets over ontdekkingsreizigers en het testosteron druipt van de pagina’s. Met kunst is het niet altijd anders. We hebben zelfs een militaire term voor de artistieke vernieuwingsdrang die vorige eeuw de kop op stak: avant-garde, voorhoede, zij die vijandelijk gebied verkennen voor het echte leger komt.

Het lijkt ook geen toeval dat poolreizen als kunstvorm juist opkwamen in de experimentele jaren zeventig: bodyart, performances, conceptualisme en tal van andere nieuwe kunstvormen haastten zich om grensoverschrijdender dan de ander te zijn. De ineens urgente vraag ‘wat is kunst?’ werd beantwoord met ‘dat wat de kunstenaar doet’. Raphael van Opstaele reisde met een bus de wereld af om bamboestokken te plaatsen, van Kameroen tot de Noordpool. Ze vormen een windorgel. Bij een bepaalde wind zingt zijn orgel over de hele wereld.

Zo vallen ontdekkingsreizen en avant-gardes samen. Opstaele floot onlangs Damien Hirst terug toen deze beweerde als eerste een stukje kunst de ruimte in te hebben gebracht. Niet waar, zei Opstaele. In de jaren zeventig had hij op een feestje een sculptuurtje meegegeven aan een bevriende astronaut die kort daarop een maanlanding moest doen – protocollen waren nog niet zo strikt toen. Als er buitenaards leven is, zien de marsmannetjes Opstaele’s kunst als eerste.

Nu zijn die experimentele tijden in de kunst voorbij en vinden kunstenaars vernieuwingsdrang gedateerd. Laurent Tixador reisde met kunstsubsidies naar de Noordpool om er als eerste kunstenaar een vlag te planten op het magnetische noorden. De video van de kunstenaar met vlaggetje is bewust meer onnozel dan stoer: Tixador steekt juist de draak met het haantje-de-voorstegedrag van de avant-gardes. Net zo ironisch zijn de diepvriesmultiples van Geoffrey de Beer: omdat je de kunst later ontdooit, is het bij aankoop altijd zijn tijd vooruit. Avant-garde dus.

Toch kwam het niet eens door de kunst, dat Verbeke besloot om deze tentoonstelling te organiseren. De voormalige ondernemer, die goed geboerd heeft met een transportbedrijf, geeft op zijn vele hectares kennende grondgebied asiel aan buitenissige kunstenaars. Al regelmatig ontfermde hij zich over inboedels van kunstenaars die hele huizen volbouwden en wegens brandgevaar of overlast op straat werden gezet. Zodoende werd hij vorig jaar gebeld door een kringloopwinkel: “Ik denk dat je even moet komen kijken.” Daar stond het volledige archief van Luc Cabes: een Belgische poolreiziger die was overleden en geen nageslacht had. Meetapparatuur, verslagen, rapporten en ander historisch materiaal stond in de winkel, afgedankt en vergeten.

Zo gaat België dus met zijn geschiedenis om, zegt de tentoonstelling impliciet. Portugal en Spanje eren hun ontdekkingsreizigers met grote monumenten op sokkels vol overwonnen inboorlingen, in België komt de geschiedenis in de kringloopwinkel. Ook de ooit fameuze Belgica wacht vergetelheid. Sinds het in 1940 door de Nazi’s werd neergeschoten, ligt het op de bodem van een Noors ijsfjord. Nog twee jaar en het is verpulverd, zegt het bezorgde Belgica-genootschap dat in deze tentoonstelling oproept tot berging en eerherstel. Al heeft is het vanuit artistiek Romantisch oogpunt natuurlijk een prachtig kunstwerk als het schip niet geborgen wordt, een trotse driemaster die door noodlot en natuurgeweld in de diep zwarte ijswateren verslonden is... Friedrich had het niet mooier kunnen verzinnen. 

Tentoonstelling: Polar Expeditions, t/m 15 mei in de Verbeke Foundation, Westakker, Kemzeke, Stekene, België. Do-zo 11-18u. Inl.: 0032(0)3 7892207 / www.verbekefoundation.be

Vandaag in NRC Handelsblad

8 februari 2010

Menselijke energie vormt de wereld

Jeanne_van_heeswijk Bij veel Rotterdammers vielen afgelopen maand flyers in de bus voor Nieuw Crooswijk. Deze voormalige volkswijk is nu merendeels een kale vlakte met bouwborden die nieuwbouw beloven. 'Denk aan 2018', roept dit campagnemateriaal om mensen over te halen er alvast een nieuwbouwhuis te kopen. Toen deze wijk een paar jaar terug nog verpauperd maar gezellig was, organiseerde kunstenaar Jeanne van Heeswijk hier een kunstproject in de vorm van een historische avonturenroman en festivals. Het versterkte de gemeenschap en bracht de geschiedenis tot leven. Ook was het een felle aanklacht tegen de beleidsmakers die alleen aan 2018 denken en het heden vergeten. Kinderen in de achtergebleven gezinnen groeien op in een spookwijk met dichtgetimmerde woonblokken. Wie Van Heeswijks kunstproject kent, kan het optimisme van de huidige promotieflyers niet erg waarderen.


De roman is te koop in Galerie Ram waar Van Heeswijk recent werk toont. Zoals de videoportretten die ze maakte van bewoners van Berkel en Pijnacker, in opdracht van provinciale instellingen toen daar een provinciale weg werd aangelegd. Ook dat plan klonk op papier heel goed, maar de waarheid is altijd ingewikkelder. Van Heeswijk sprak met honderdtwintig omwonenden over het leven, wonen, de pijn van veranderingen, het verdriet over de natuur die er gesloopt wordt. Honderdtwintig videoschermpjes kakelen zachtjes langs elkaar heen op een tafel met een landkaart. Deze vormgeving verbeeldt uitstekend Van Heeswijks standpunt dat het mensen zijn die een gebied vormen, niet asfalt of huizenblokken.


Hoewel Van Heeswijk intussen een veelgevraagde beroemdheid is, is het voor opdrachtgevers toch een gok om haar te vragen. Je weet nooit welke gevoeligheden ze oprakelt. Vorig jaar portretteerde ze de stad Beijing door straatverkopers te ondervragen over hun levensdromen: geld, geluk, democratie. De installatie – foto's, plattegrond en goudbedrukte tshirts – kon nét door de beugel bij de autoriteiten.


Sociologische onderzoekskunst is doorgaans een prima slaapmiddel, maar deze expositie weet te boeien. En zelfs het enige foutje pakt goed uit. Op een poster doet Van Heeswijk verslag van lezingen die ze op straat hield in Skopje - hardnekkig orerend tegen stoeptegels en straathonden, tot eindelijk een echt mens stopt. Daar staat een afbreekstreepje in het woord interesse. Dat hoort niet, maar benadrukt wel iets essentieels: inter esse, tussen zijn, onderzoeken wat tussen mensen bestaat. Van Heeswijk benadrukt de menselijke energie die onze wereld vormt en die beleidsmakers te vaak niet zien. 


NRC Handelsblad, 6 februari 2010


Jeanne van Heeswijk, Citizen’s Tales, t/m 28 februari in Galerie Ram, Blekerstraat 10, Rotterdam. Do-zo 13-18u. Inl.: www.ram-art.nl

5 februari 2010

Marte Röling etaleert verdriet in verf

RolingJe moet toch wel een heel kil mens zijn, wil je onbewogen door de huidige solotentoonstelling van Marte Röling kunnen lopen. Vijf jaar geleden verloor Röling haar grote liefde, Henk Jurriaans. Negen dagen na zijn dood besloot ze om te doen wat haar tweede natuur was: te gaan schilderen. Dat leidde tot tientallen enorme portretten, van twee bij twee meter. Hiermee richtte Röling in Museum de Fundatie de tentoonstelling Portretten van een Liefde in. De directeur noemde het zelfs ‘een eigentijdse Taj Mahal’.


“Ik verga van de behoefte aan je aanwezigheid” staat in rode letters op de tentoonstellingsmuren, en “Ik probeer je terug te roepen, te smeken”. Het is een tentoonstelling vol wanhoop. Schilderen is voor Röling een vergeefse poging haar man bij zich te houden. De zalen van Museum de Fundatie hangen bomvol met haar roze-rode-gele portretten die, net als de paar aanwezige stillevens, te groot zijn om er met gemak naar te kunnen kijken. Larger than life lacht Jurriaans je voortdurend toe.


Muur na muur zie je zijn pretoogjes en stoppelbaard boven een vlinderdasje of open shirt. Monomaan schildert Röling zijn jongensachtige glimlach zo close-up dat oren en kruin vaak buiten het beeld vallen. Een enkele sigaar of koptelefoon illustreren wat iedereen zo ook al ziet: dit was een levensgenieter.


Maar meer nog dan Jurriaans, portretteert Röling hier zichzelf. Door haar verdriet zo te etaleren, profileert ze zichzelf als een schilderdier: een vrouw die intense emoties ongeremd op het schildersdoek gooit. In de tijd van Van Gogh waren excentrieke schilderfanaten buitenbeentjes, sinds Herman Brood werkt zo’n imago in je voordeel. Dat voedt het populaire idee dat zulke kunst oprecht en gepassioneerd gemaakt is en dus wel goed moet zijn. De tentoonstellingsteksten versterken dit beeld: nergens gaat het over kunst, alleen over Henk, liefde, hun bijzondere relatie. Zij was de blonde vamp naast een charismatische man die er een harem op na hield. In deze verhalen schuilt de aantrekkingskracht die Röling heeft op het grote publiek dat in drommen naar haar tentoonstelling toekomt.


Ook de catalogus is één lange liefdesbrief, waarin Röling over Henk schrijft. In een inleiding over deze liefde noemt de conservator even kort parallellen met Warhol, een vergelijking die Röling afwijst. Toch leent Röling wel degelijk bij Warhol en andere kunst die vorige eeuw wow-effecten introduceerde. De enorm grote closeups zijn kleurrijk en vlak geschilderd, zoals Warhol deed, en ook zij werkt naar foto’s. De abrupte fotografische enkadrering, die oren en kruin afsnijdt, is te herleiden tot de post-impressionisten. Het is een manier van componeren die kunst automatisch dynamiek geeft. Soms omlijst ze Jurriaans met bloemen à la Matisse of tulpen in Jan Cremerstijl. Bij de bloemstillevens zie je abstracte patronen die door popartists als Lichtenstein zijn geïntroduceerd. Alleen hebben die patronen bij haar geen betekenis, ze blijven versierseltjes.


Een paar jaar geleden bracht de Kunsthal een prachtige expositie over hedendaagse portretkunst. Daarin was te zien hoe veel kunstenaars nu snapshots gebruiken omdat de vluchtigheid ervan contrasteert met de eeuwigheid van verf. Dat zorgt voor vervreemding, een spanning tussen hedonisme en vergankelijkheid. Röling speelt met diezelfde tegenstrijdigheid. Een dode man die je zaal na zaal toelacht, dat is morbide en onnatuurlijk. De pretoogjes zijn maar verf, en verbleken als je langer kijkt. Het is buitenkant, verf, meer niet. Die tegenstrijdigheid zou je kunnen verwarren met iets dieps over dood en vergankelijkheid. Maar dat is te veel eer. Als de portretten meer ziel en karakter hadden kunnen blootgeven, zouden ze langer blijven boeien dan deze.


NRC Handelsblad, 3 februari 2010


Tentoonstelling: Marte Röling, Portretten van een Liefde, t/m 24 mei in Museum de Fundatie, Blijmarkt 20, Zwolle. Di-zo 11-17u. Inl.: 0572 388188 / www.museumdefundatie.nl

22 januari 2010

Klederdracht opgehipt met oogschaduw

Porcelain_piratesWat is liefde? En hoe lang duurt het? De twee vriendinnen op het terrasje weten het ook niet, maar breken hun hoofden er niet te lang over: ze gaan lekker de stad in. De camera laat niet zien of ze schoenen gaan passen, maar wel hoe ze in een winkel met curiosa belanden. Daar valt het oog van een van de meisjes, de hoofdpersoon in deze tv-serie, op een oude vaas. Ze ‘voelt’ dat dit geen curiosa is, dit is antiek. Die vaas laat haar niet meer los. En vanaf dat moment gaat de soapserie niet meer alleen over liefdesperikelen, maar ook over antiek.

De miniserie Porcelain Pirates is in Vietnam opgenomen door het Deense designcollectief Superflex, in opdracht van het Zeeuws Museum. Dat vroeg de kunstenaars een manier te verzinnen om de oude porseleincollectie weer tot de verbeelding te laten spreken. Porcelain Pirates verhaalt in drie afleveringen over een aantal Vietnamese twintigers en hun dagelijkse strubbelingen. Ze werken in de reclame-industrie en hebben een lifestyle met de nieuwste gsm’s en laptops, en soms museale vazen – ‘product placement’ zouden ze dat in de reclamewereld noemen.

De vaas in de curiosawinkel blijkt inderdaad antiek. Het is kraakporselein, dat het Zeeuws Museum ook veel in de collectie heeft. Dit blauw beschilderde aardewerk werd in de zeventiende eeuw in China gemaakt voor de Hollandse markt, waar het sindsdien in de vorm van Delftsblauw is geïmiteerd. De naam komt van de ‘caraques’, de Portugese schepen die het porselein naar Europa verscheepten. Dat waren avonturen op zich, met noodweer, piraten en scheurbuik. Ook zo’n reis komt aan bod in de tv-serie.

De hoofdpersoon krijgt een spirituele band met de zeventiende-eeuwse eigenares van de vaas, die net als zij met de liefde worstelde. Deze hoort ze letterlijk praten als ze de vaas aan haar oor houdt. Zo zien wij kijkers een raamvertelling ontstaan over liefdesperikelen in twee tijdvakken. De dialogen zijn dunner dan het porselein en violen jammeren letterlijk mee met de smachtende hoofdpersonen. Maar de cameravoering is prachtig. Strijklicht streelt het porselein en de zijden stoffen die voortdurend in beeld komen. Die aanpak doet zelfs wat denken aan oude Vlaamse schilderkunst, die met zijn fenomenale stofuitdrukkingen stiekem ook reclame was voor de plaatselijke stoffenindustrie.

Porcelain Pirates vormt de kern van een minitentoonstelling. In de ene zaal draait de serie, de andere toont de filmrekwisieten: kostuums, vazen, jade armbanden. Om er te komen, moet je eerst door een andere hippe expositie lopen: ZL (Re)found(ed). Hier hebben modestudenten klederdrachtkostuums gefotografeerd op modellen met wilde glittermake-up. De echte kostuums hangen samen met andere glimstukken in vitrines. De catalogus voor beide presentaties is een speciale editie van modeglossy Blend.

Het ophippen van musea gebeurt al langer, maar veel musea zijn er de mist mee in gegaan. Vaak is ‘oude meuk’ overboord gekieperd ten gunste van vlees-noch-vissige multimediaruimtes waar alleen de educatieve computer zich op zijn gemak voelt. Dat doet het Zeeuws Museum beter. Het voelt als een levendige kunstenaarsplek, waar lifestyle en glamour zijn opgepikt door de juiste designers. Je betrapt je er op gedachten die je in een streekmuseum niet had verwacht – best leuk, zo’n klederdrachtkap, boven een zwart jurkje, zeker met die oogschaduw.

Het lijkt een geslaagde poging om erfgoed bij een ander publiek te krijgen. Maar er is een keerzijde, vooral bij Superflex. Dit richt zich zo sterk op televisie en mode dat het zich nauwelijks bedient van het museum of zijn collectie. De tentoonstelling is piepklein en bestaat bijna alleen uit replica’s: de geëxposeerde accessoires en kostuums zijn Made in Vietnam, 2009. En zo wordt het museum, net als de ongelukkige personages in de tv-serie, terzijde geschoven ten gunste van nieuwere liefdes.

Vandaag in NRC Handelsblad

Tentoonstellingen: Superflex, 'Porcelain Pirates' en 'KABK ZL (Re)found(ed)', t/m 28 maart in het Zeeuws Museum. www.zeeuwsmuseum.nl

12 januari 2010

Nuchterheid kenmerkt Nederlandse schilders

Altink_zandvlietWat kan Nederlandse kunst er verbazingwekkend protestants uitzien. Nooit geweten, maar wie door de huidige tentoonstelling in het Roosendaalse Tongerlohuys loopt, ziet hoe verschillende Hollandse kunstenaars al een eeuw lang uiterst sober en nuchter schilderen. Ze verbeelden kale akkers, bomen die buigen in de wind, een rustend paard. De werken komen uit de privécollectie van het verzamelaarsechtpaar Van Toledo dat nu thuis vier maanden lang tegen kale muren aan zit te staren. Tientallen werken stonden ze af voor een tentoonstelling die honderd jaar Nederlandse kunst laat zien.

Tussen de boerenlandschappen hangt ook abstracte kunst, vrij veel zelfs, dat ademt eenzelfde ‘ora et labora’ gevoel uitademt. Met veel bruin en matte tinten zijn de abstracte composities net zo karig en doordacht als de landschappen. Veel werken laten canvas door de verf heen schemeren of zijn netjes omkaderd met harde lijnen. Het is alsof deze kunstenaars met een soort boerennuchterheid benadrukken dat kunst echt niets meer is dan wat verf op een doek. De ondertitel ‘Diversiteit in de Nederlandse kunst van de twintigste eeuw’ klopt dan ook eigenlijk niet. Hier is geen diversiteit te zien, maar juist een zeer consistente kunst die onverstoorbaar van generatie op generatie voortbestaat.

De Van Toledo’s hebben museale namen uit de vroege twintigste eeuw weten te bemachtigen, zoals Leo Gestel, Hendrik Werkman, Charley Toorop. Ze waren er steeds ‘op tijd bij’, zoals dat heet. Daarna vonden ze bij eigentijdse kunstenaars als Jan Schoonhoven en later J.C.J. Vanderheyden en Robert Zandvliet eenzelfde sobere stijl. De tentoonstelling wil ons een kijkje gunnen in de Nederlandse kunstgeschiedenis. Maar net zo goed lijkt het ons een kijkje te geven in de gedachten van een verzamelaarsechtpaar. Wat zouden dit voor mensen zijn? Toegewijde liefhebbers van kunst, dat sowieso, maar wel met een stichtelijk sobere smaak. Geen genot, geen kleur, geen gekkigheid. Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg.

Het is een typisch regenachtige zondagmiddagtentoonstelling. Dat komt ook door de architectuur van het museum. De lage donkergrijze balkenplafonds drukken op de kunst zoals de kunst op zijn beurt op je gemoed drukt. Alleen twee werken hebben ineens een luchtige Zuid-Europese frivoliteit. Dat zijn twee damesportretten van Bram van Velde uit de jaren twintig met ranke halzen en zelfs bijna een decolleté. Hun vrouwelijke sensualiteit is niet te rijmen met de bruinige rechtlijnigheid van de rest van de collectie. Deze twee dames hangen dan ook voor straf apart van de rest, in een verderop gelegen stijlkamer met dieprood behang en pronkmeubelen.

Geervanvelde Toch zou deze tentoonstelling best een enkele uitschieter overleven, zo samenhangend is ze, overigens zonder monotoon te worden. Op zich is het verwaaide bomenrijtje dat Else Berg in 1913 schilderde nog best vrolijk, met zijn golvende lijnen en rode aarde. Maar ingeklemd tussen een abstracte jaren vijftiger en de witte rasters van Jan Schoonhoven lijkt het meteen ook een toontje lager te zingen.

Dat geldt voor meer werken. Het relatief woest neergekwaste landschap van Robert Zandvliet wordt door de afgemeten zwarte akker van Koen Vermeule ernaast besmet met diens strengheid. Dat is wat een goede collectie kenmerkt: de werken hoeven er niet hetzelfde uit te zien, maar passen op de een of andere manier bij elkaar. Onbedoeld vormen de boerenscènes en wisselende seizoenen een passende metafoor voor het wereldbeeld dat deze kunst uitdraagt: ismes komen en ismes gaan, maar deze broodnuchtere, sobere kunst blijft altijd bestaan.

Gisteren in NRC Handelsblad

Tentoonstelling: ‘Van Altink tot Zandvliet. Diversiteit in de Nederlandse kunst van de twintigste eeuw’, t/m 14 februari 2010 in Museum Tongerlohuys, Molenstraat 2, Roosendaal. Di-zo 14-17u. Inl.: 0165 536916 / www.tongerlohuys.nl (foto's Tongerlohuys: Altink, Egger; Geer van Velde, compositie)

9 januari 2010

Kunst worstelt met moraliteit

Morality_skor Moet de Nederlandse regering zich bemoeien met de opvoeding van kinderen, met kleding, met religie? Het elektronisch kinddossier is in voorbereiding, het woord islam valt dagelijks, hoofddoekjes worden voortdurend besproken. Opvoedkunde is een beslist streven van onze regering, maar de denkers over politiek zijn verdeeld. Zij discussiëren over de vraag of politiek zich nog moet bemoeien met het sociaal gedrag van burgers die daar niet op zitten te wachten. Het laatste woord is er nog niet over gezegd.

Niet alleen de politiek bemoeit zich met normen en waarden. Kunstcentrum Witte de With zet een jaar lang alle tentoonstellingen en activiteiten in het teken van moraliteit, oftewel de vraag welk sociaal gedrag acceptabel is en wat niet. Kunst in de eerste tentoonstelling ging onder meer over oorlogsveteranen, China en democratie. In deel twee, nu te zien, komen diefstal, filmsterren en armoede aan bod.

Moralitywaechtler

Twaalf kunstenaars exposeren in dit tweede deel kunst die gaat over gedrag waar niet iedereen het mee eens is. Peter Wächtler maakte een paparazzifoto van een telefonerende Tom Cruise die zit ingeklemd tussen beveiligers – een beeld van sterrenstatus en mediagekte. Christodoulos Panayiotou fotografeerde het decor van een homopornofilm, als de orgie erop zit. „Guys go crazy”, staat op de rozerood glimmende muren, maar die guys liggen thuis onder de wol en hebben zo te zien een grote ravage achter gelaten.

Moraliteit is hardnekkig in de kunst. In de Gouden Eeuw schilderden Hollandse meesters weelderige naakten of keukenstillevens met pasteien die deden watertanden. Pas in tweede instantie zag de kijker de moraal: een bijbelse scène op de achtergrond waarschuwde voor vleselijke lusten. En dan had je als kijker intussen die zonde al lang begaan natuurlijk. Het langzaam ontvouwen van de moraal is ook een ingrediënt in Morality. Met langzame cameravoering, gelaagde beelden en cryptische teksten ontvouwt zich langzaam de kunstenaarsblik op de wereld, op menselijke gebruiken.

Het is te begrijpen dat Witte de With een jaar met dit thema uit de voeten kan. Het heeft altijd al een voorkeur gehad voor kunstenaars die de wereld een spiegel voorhouden. Bespiegelen wordt alleen maar actueler: nu iedereen een weblog en een mening heeft, niet meer luistert naar de staat of autoriteiten, komt bij burgers de eigen mening eerst. Alleen doen kunstenaars dat net iets mooier of leuker, zo blijkt ook weer in Morality.

Moralitysolakov_2

Nedko Solakov schreef rake teksten op de muren van Witte de With en plakte daar een 20-eurobiljet bij. De tekst gaat over de vraag hoe lang dat aan de muur zou blijven hangen, en of je als bezoeker fout bent als je het meeneemt of juist een sukkel bent als je het niet doet. Het biljet zelf hangt er niet meer.

Morality belicht een wezenlijk thema. Toch gaat het niet ver genoeg. Nergens wordt expliciet de meest essentiële vraag gesteld die onvermijdelijk zou moeten zijn: waarom denken kunstenaars zich te mogen uitspreken over het gedrag van anderen? Als we dit soort moraalridderschap al niet meer pikken van politici en artsen, waarom dan wel van kunstenaars? Dat zijn ook maar gewoon mensen met een HBO-opleiding.

Nu allerlei elites en gezagdragers hun autoriteit hebben verloren, zouden kunstenaars zich toch meer achter de oren mogen krabben wat dat voor hun eigen maatschappelijke rol betekent. Hardnekkig doorgaan met de wereld een spiegel voorhouden als die wereld niet meer gelooft in de morele superioriteit van kunst, is dubieus geworden. Het is jammer dat Morality dat niet aan durft te gaan.

Vandaag in NRC Handelsblad

Tentoonstelling: Morality Act II, t/m 7 februari in Witte de With, Witte de Withstraat 50, Rotterdam. Di-zo 11-18u. Inl.: 010 4110144 / www.wdw.nl

De vreugde is er, nu de ideeën nog

Gouden_bergen Zeventig kunstruimtes telde het tijdschrift Fucking Good Art vorig jaar geleden in Rotterdam, en wijdde daar een speciale editie aan. Het ging enkel om de expositie- en debatorganisaties voor beeldende kunstenaars. Terwijl galeries in de havenstad al jaren worstelen om te overleven, ook vóór de kredietcrisis al, blijven kunstenaars zelf ruimtes openen om hun kunsten te vertonen.

Aan die zeventig adressen kunnen weer wat nieuwe worden toegevoegd, zoals de Kapsalon, KunstMarkt en de Zwarte Ruyter. De stad lijkt met dit officieuze en levendige kunstcircuit hersteld van de verlammende werking die jarenlang uitging van het kunstvijandige gemeentebestuur van Leefbaar Rotterdam.

Een zo’n ruimte die zich net iets aan het officiële circuit onttrekt, is Dek22 in Coolhaven. Het heeft onduidelijke openingstijden, geen telefoon en beantwoordt geen email. PR gaat vooral via Facebook. Maar een druk programma heeft het wel. De huidige groepstentoonstelling Gouden Bergen is het beste te bezoeken op een modeavond of garage sale of andere bijeenkomsten waar kunstenaars rondhangen, muziek luisteren en elkaars werk bekijken.

Gouden Bergen is een initiatief van twee jonge kunstenaars, Linda van der Vleuten en Bruce Tsai. Ze vroegen twaalf generatiegenoten om met hen een tentoonstelling in te richten over hun toekomstverwachtingen. De titel is goed gekozen: de hele expositie straalt blijdschap uit. Een kleurige fantasystijl overheerst, waarin slogans, graffiti en populaire beeldcultuur vermengd zijn. De resultaten, veelal schilderijen en tekeningen, neigen naar illustratieve figuratie of hippe prints uit de mode-industrie. Niet gek, want de kans is groot dat een aantal exposanten uiteindelijk in de toegepaste kunst terecht komt: vormgeving, mode en tekenkunst versmelten in dit dynamische kunstcircuit.

Alles ligt nog open voor deze exposanten die flitsende pseudoniemen hanteren als Super A en Ready 2Rumbl. Gino & The Garlic Myth exposeert een boekenkast vol dozen met daarop de tekst ‘108 boxes filled with super amazing future’. Er liggen lege A4tjes in: de ideeën moeten nog komen. En dat is zeker waar, want een volwassen stijl hebben de meeste exposanten nog niet. Doordat ze aan het begin van hun carrière staan is het niveau nog enigszins studentikoos. Dat mag de pret niet drukken. Het geloof in een stralende toekomst vol gouden bergen spat van deze optimistische tentoonstelling af.

Vandaag in NRC Handelsblad

Gouden Bergen, t/m 17 januari in Dek22, Willem Buytewechstraat 22, Rotterdam. www.dek22.com

2 januari 2010

Mexico, de stad van hel en hoop

Edruschaunionneedlescalifornia1 Je moet in Mexico-Stad zijn geweest om een idee te hebben van de totale waanzin ervan. Zonder behoefte aan planologische structuur verrijzen voortdurend nieuwe woonwijken naast shopping malls en bedrijventerreinen, gelardeerd met vleugjes sloppenwijk. Wie de bus neemt van de periferie van het centrum, krijgt alle tijd om een dik boek uit te lezen. Mexico-Stad is een hel. Maar het is ook een bruisende plek waar de hele wereld samenkomt. Beide kanten zijn te zien op de tentoonstelling Mexico: expected/unexpected.

Tussen de bijna vijftig exposanten zitten bekende namen als Hélio Oiticica en Ana Mendieta, maar het valt op dat bijna de helft uit de VS of Europa komt. Al jaren is Mexico een magneet voor internationale kunst, aanvankelijk vooral de VS. Fotografen staken de grens over om het stoffige Mexico in sfeerbeelden vast te leggen. In de jaren zestig deed schilder Ed Ruscha net zoiets weemoedigs toen hij Mexicaanse tankstations ging schilderen, omringd door een weids niets. Ze zien eruit alsof nooit iemand daar kwam tanken.

Maar dat soort dromerige kunst ging voorbij. De hedendaagse generatie doet weinig moeite om de rauwe realiteit van het dagelijkse overleven te verbloemen. Melanie Smith maakte zwart-witte luchtfotos van stadswijken: eindeloze bebouwing tot aan de einder, de nachtmerrieachtige eenvormigheid van de metropool. Een kleurenrolletje was al te frivool. Pablo Vargas Lugo gebruikt wel kleur, maar dan om rafelige vlaggen te tekenen. Het lijken symbolen van internationaliteit en verval. Rivane Neuenschwander maakte aan de keukentafel geometrische maquettes van radijsjes en suikerklontjes. Ze herhalen de Niemeyerachtige betonkolossen die je ook in Mexicaanse steden ziet. Het is een soort poëzie, het radijsje en plakje worst als therapeutisch middel om met die anonieme stedelijkheid om te gaan.

10gordonmattaclarkconicalintersect Mexicaanse kunst lijkt streng en sober. Zelfs de zaal natuurbeelden bevat enkel modderig uitziende fotos en het enige vogeltje, op een video van Fernando Ortega, is volgens het bijschrift in trance gebracht. Het zit op een takje ijzig voor zich uit te staren. Vermoedelijk weerspiegelt deze zakelijkheid ook de smaak van de samenstellers, het verzamelaarsechtpaar Isabel en Agustín Coppel. Ze lijken te vallen op kunstenaars die een subtiele poëzie in het dagelijks leven zoeken. Zo draait er een film van de altijd geweldige Francis Alÿs, een Belg die al jaren in Mexico-Stad woont. Hij filmde een rij mensen die op het centrale Zócalo-plein schuilt in de dunne schaduw van de vlag en meeschuifelt als de zon verschuift.

Het aardige van de expositie is dat het een paar generaties bijeen brengt waardoor een rode draad ontstaat. Alÿs staat niet gek ver af van Gordon Matta-Clark die in de jaren zeventig enorme ronde gaten liet zagen in afbraakpanden. Zeker in een stad waar nog wel eens iets maar half wordt afgebouwd of half gesloopt, zijn die panden naargeestig. Hij maakt er een kunstwerk van. Daarmee verwijst hij naar de geometrische kunst die ook een lange traditie in Mexico heeft en hij is tegelijk een voorvader van Alÿs, maar ook van street art en guerrillakunst zoals je dat over de hele wereld ziet pieken in metropolen. Wie latinowarmte zoekt, zal het hier niet vinden. Maar voor wie zich warm aankleedt en tegen wat kille schoonheid kan, is deze tentoonstelling een aanrader.

NRC Handelsblad, 16 december 2009

Info: Tentoonstelling Mexico: expected/unexpected, t/m 31 januari in het Stedelijk Museum Schiedam. Di-zo 10-17 uur. Inlichtingen: 010-2463666, www.stedelijkmuseumschiedam.nl (foto's Stedelijk Museum Schiedam: Ed Ruscha; Gordon Matta-Clark).